Rode wijnen worden te warm, witte wijnen veelal te koud opgediend. Om van de typische aroma's van een wijn optimaal te kunnen genieten zijn er enkele standaardregels. Witte wijn serveer je het best op een temperatuur van 10 tot 12°. Bubbels mogen iets kouder, net als liquoreuze wijnen. Voor rood houdt men de temperatuur het best tussen een 16 tot 18°. Zestien voor de fruitige lichtere types, 18 voor de volumineuze. Chambreren tot kamertemperatuur van 20 tot 22° is uit den boze. Het opslaan van wijn naast de open haard zoals vroeger in rustiek ingerichte huiskamers en restaurants werd gedaan doet geen goed aan de wijn.